Feeder (korf)

Inleiding

De meeste vissers beginnen met een vaste stok, maar op sommige water is zelfs de langste hengel niet toereikend of is de stroming te groot om effectief met een dobber te vissen. Om deze reden wordt er steeds meer met een feeder hengel gevist.

Feeder vissen doe je met een werphengel en een voerkorfje. Dit is een korf van draad of kunststof waarmee je een portie lokvoer direct bij je haakaas op de bodem kunt brengen. Het voerkorfje zit met een zijlijn vast aan de hoofdlijn. De korf is zo bevestigd dat die kan schuiven over de lijn. Hoe zie je dat je beet hebt: Je ziet dat je beet hebt wanneer je top beweegt. Je top kan bewegen doordat je ingooit en de lijn strak draait de top staat zo ietsjes krom gespannen staat als die gaat bewegen heb je beet en haak je de vis.

Voor oudere vissers met een verminderd gezichtsvermogen is feedervissen een ware uitkomst. Zij hoeven niet langer te turen naar het minieme antennepuntje van een scherp afgesteld dobbertje. Bij het feedervissen wordt helemaal geen gebruik gemaakt van een dobber. De dunne, felgekleurde en gevoelige hengeltop fungeert als beetindicator.

 

Materiaal verscheidenheid

Hengels die geschikt zijn voor het werpen met swimfeeders (voerkorven) noemt men logischerwijs dan ook feederhengels. De voerkorf moet bescheiden van afmeting zijn, immers het werpvermogen van onze hengels kent nu eenmaal een grens. De wat grotere voerkorven hebben in gevulde toestand (uiteraard afhankelijk van het formaat en het aangebracht extra loodgewicht) toch al gauw een gewicht dat ergens tussen de 40 en een dikke 100 gram ligt! Om deze zware gewichten weg te zetten is een langere hengel met meer ‘body’ een vereiste. Dus koop een hengel die bij het te bevissen water past.
Er zijn nogal wat typen feederhengels. Behalve dat er natuurlijk altijd kwaliteitsverschillen en daarmee prijsverschillen zijn, kunnen we de feederhengels onderscheiden in vier hoofdgroepen: light, medium, heavy en ultra heavy. Sorry voor de Engelse uitdrukkingen, maar het feedervissen is nou eenmaal, met termen en al, uit Engeland komen overwaaien.

De huidige “feeder hengel” is globaal te verdelen in twee verschillende uitvoeringen: de “Swingtip” en de andere de zogenaamde     “Quivertip”.

  • “Swingtip”:
    een top wordt met behulp van een rubber slangetje aan de hengel gemonteerd. Bij een beet “swingt” de top dan naar voren of naar je toe. Voordeel hiervan is dat er weinig weerstand ontstaat, en je dus heel licht kan vissen.
    “Quivertip”:
    een versmalling in de top van de hengel die er voor zorgt dat de hengel eenvoudig omboog en daarom een betere beetregistratie geeft. De Quivertip zit meestal vast aan de hengel gemonteerd en er bestaat geen geen mogelijkheden om van top te wisselen.

Bij deze soort hengels worden meestal twee of drie quivertips geleverd. Het is de bedoeling dat men door de juiste keuze van de quivertip een zo best mogelijke beetregistratie krijgt. Een bepalende factor is de strakheid van de quivertip. Het spreekt voor zich dat een tip uit carbon strakker zal zijn dan een tip uit glasvezel. Verder zal het tapse verloop (van dik naar dun) ook bepalend zijn voor de gevoeligheid. Men kan de strakheid eenvoudig testen door het topoog tussen duim- en wijsvingers te nemen. De quiver die het meeste doorbuigt is de minst strakke. Het is de manier van aanbijten en de heersende visomstandigheden (grote vis, kleine vis, wind, stroming.) die mede zullen bepalen welke quivertip we monteren.

Een Winckle picker:
Dit is een hengel voor op witvis waar men op de top vist zonder dobber. Men maakt dan ook gebruik van een voerkorf en vist hiermee op dezelfde plek, waardoor vaak meer en zwaardere vissen mee gevangen wordt. Deze hengels hebben een zachte verwisselbare top die dient als beetregistratie met een gemiddeld werpvermogen van 10 tot 30 gram.

  • een werphengel met een top/parabolische actie.
  • hengeltechniek wordt ook wel “pickeren” genoemd.
  • Winckle pickers hebben losse topjes met een actie van 1 tot 2 ounce.
  • Winckle pickers worden veelal gebruikt in combinatie met een zogenaamde voerkorf. Dit zijn lichte korven tot hooguit 35 gram Voordeel is dat het lokvoer direct bij het aas ligt. En als steeds op dezelfde plek de voerkorf wordt gegooid, kan een mooie gedoseerde voerplek gemaakt worden.
  • De winckle pickers heb je in de maten: 2.40 meter t/m 3.0 meter.
  • Een winckle picker gebruik je het best op stilstaand water of zacht stromend water en gooi je gemiddeld zo’n 15 meter uit de kant.

Een Feeder hengel:
Dit is een hengel voor het vissen op witvis, hiermee wordt hetzelfde gevist als met een Winkle Picker echter zijn deze hengels langer en bezitten ze een groter werpvermogen. Dit is bedoeld om ook te kunnen vissen op kanalen of rivieren zonder dat de stroming de voerkorf verplaatst van de visstek. Deze hengels hebben een gemiddeld werpvermogen van 40 tot 100 gram.

Feeders zijn er met vaste en losse topjes, van 1,5 tot 3 ounce. Zo heb je ook nog heavy feeders waar je tot 4 ounce actie kan gaan.
gebruik op stromend water of wanneer je ver van de kant moet vissen.
Men kan feederhengels al naar gelang werpvermogen en lengte als volgt indelen 3 categorieën;

  •  Light feeder       (voor lichte korven, tot ca. 40-50 gram)
  • Medium feeder  (voor de wat zwaardere korven, tot ca. 70-80 gram)
  • Heavy feeder     (voor de zware korven tot ca. 100-120 gram)

Voor startende feedervissers is het algemene advies een feederhengel in de klasse “light” aan te schaffen. Dit type feederhengel wordt als “allround” beschouwd, is ongeveer 3 meter lang en geschikt voor het werpen van korven met een gewicht van een gram of 40. Met deze hengel kunt u in de meeste wateren en onder de meeste omstandigheden aardig uit de voeten. Er kan zowel met een wartelloodje als met een voerkorf én zowel kortbij als veraf mee worden gevist. Als u met zwaardere voerkorven of op grotere afstand dan 35 meter wilt vissen, zou u een “medium” feeder kunnen overwegen. De “heavy’s” en de “ultra heavy’s” zijn bedoeld voor hard stromend water (rivieren) en is voor de beginner niet aan te raden.

Materiaal: Korf
Voerkorven zijn in drie groepen in te delen, namelijk:

  • open voerkorven, aan beide zijden open.
  • gesloten voerkorven, aan beide zijden gesloten.
  • half open korven, slechts aan één zijde open.

In principe bestaat de voerkorf uit een, metaalgaas vervaardigd hulsvormig lichaam verzwaard met een loodstrip. Er zijn ook voerkorven met een plastic lichaam. Een belangrijk verschil tussen een open plastic voerkorf en een gaasfeeder is dat de eerstgenoemde tijdens het binnendraaien gemakkelijker van de bodem loskomt, als de aan alle kanten open gaasfeeder. In stromend water gebruik is het advies om minimaal een korf met een gewicht van 60 gram. Hiervoor gebruik je dan de medium feeder, dit om het gewicht goed te kunnen dragen en je hebt de mogelijkheid om ver te vissen.  Is er meer dan 80 gram nodig, tot zeker 100 gram, dan ga kan worden overgegaan op de heavy feeder. Sommige heavy feeders kunnen aardig wat gewicht wegzetten tot zeker 150 gram, heb je nog meer nodig dan kan de “ultra heavy” gebruikt worden. Hiermee kan je met sommige feeders, tot 200 gram wegzetten. Uiteraard vis je dan niet verder dan ongeveer 30-35 meter.

Een ander belangrijk voordeel van het feedervissen is dat er spaarzaam en toch effectief met lokvoer omgegaan kan worden. Met een kilootje voer kan men gewoonlijk een hele dag doen. Duur is deze visserij dus niet. Voor het vissen in stilstaand of langzaam stromend water gebruikt u bij voorkeur een voerkorfje dat aan beide zijden open is. Bij elke inworp wordt slechts een klein beetje lokvoer op de voerstek gedeponeerd . Omdat de onderlijn vlakbij de voerkorf wordt gemonteerd, ligt het aas altijd in de buurt. Succes verzekerd!

Materiaal: lijnen Bij het feederen in stromend water gebruik je een hoofdlijn van minimaal 22/00 met een voorslag van 25/00. De dikte van je hoofdlijn is belangrijk, aangezien het gegeven, hoe dunner je hoofdlijn hoe minder druk de stroom op je lijn uitoefent. De lengte van de voorslag hou je op ongeveer 2x de hengellengte. De voorslag hou je dikker dan de hoofdlijn, dit v.w. het gewicht van de voerkorf. De vislijn die wordt gebruikt moet altijd in de juiste verhouding zijn met de hengel die gebruikt wordt. Dus het volgende ezelsbruggetje kan aangehouden worden: “Op een Light Feeder altijd dunnere lijnen gebruiken en op de “Heavy Feeder”  dus dikkere lijnen (en dus sterkere).  Dit heeft tot logisch gevolg dat op een heavy feeder ook vaak een zwaardere molen gemonteerd zal worden. Aan de speldwartel kan een feederkorf of wartellood gemonteerd worden. De hoofdlijn en de onderlijn worden via “lus-in-lus” met elkaar verbonden. Kan zowel dienen voor het vissen met klassiek nylon als met een gevlochten lijn.

Het is bekend dat er op de markt de gevlochten lijnen te koop zijn onder de naam Dyneema. Veel groothandels brengen onder verschillende namen bepaalde lijnen op de markt. In het begin waren deze lijnen zeer duur en vaak van slechte kwaliteit. Je bent er of helemaal gek van of je bent een geboren tegenstander. Bij verkeerd gebruik kan het je heel wat vis kosten. De rek in deze lijn is vaak nihil waardoor de vis tijdens de dril zichzelf los kan trekken omdat er geen rek in de lijn zit die de klappen van de vis opvangt. Bij een goed hengelgebruik vinden de meeste vissers het ideaal omdat de beetregistratie perfect wordt doorgegeven en de lijndiameter veel dunner is dan de monofyllijnen van dezelfde trekkracht. Dus wel opletten !! Vis je met gevlochten/gesmolten lijn, dan moet je bij een aanbeet niet “slaan” maar “aantikken”. Je hebt namelijk direct contact met je voerkorf.

Tegenwoordig wordt veel gebruik gemaakt van een “Powergum systeem”.  Het powergum systeem is een stuk elastiek van 20/25 cm waar je voerkorf aan hangt. Groot voordeel van dit systeem is, dat de powergum de eerste klap opvangt bij het ingooien. Hoe zwaarder de korf, hoe meer je het voordeel merkt bij het ingooien. Een ander voordeel van de powergum is dat je geen voorslag meer nodig hebt.

Tegenwoordig geven steeds meer feedervissers de voorkeur aan een gevlochten, dyneema lijn. Daar zit namelijk geen rek in, waardoor ook aanbeten op grote afstand goed worden doorgegeven aan de gevoelige top. Slimme sportvissers knopen thuis al hun onderlijntjes met haken in verschillende groottes. De maten 8, 10 en 12 zijn favoriet.

Er zijn verschillende methoden om de voerkorf of werplood en haaklijn te monteren.

  • Schuivende montage:
    Bij deze montage loopt de hoofdlijn vrij door de wartel van het lood of van de voerkorf. Op dagen dat de vis goed “los” is, zal deze eenvoudige methode veel vis op de kant brengen.
    Vaste montage:
    Het lood of voerkorf wordt nu direct op de hoofdlijn of aan een vast zijlijntje geknoopt. De aanbeet gaat nu niet via een wartel maar direct naar de hoofdlijn en is dus preciezer dan de andere methodes.

Hengel afsteunen

Hoe te vissen. U heeft vast wel eens een feedervisser langs de waterkant gezien. Dan is het u waarschijnlijk opgevallen dat de hengel bijna evenwijdig aan de oever lag afgesteund. Een dergelijk opstelling, waarbij de hengeltop een hoek van 100 tot 120 graden met de uitgeworpen lijn maakt, is voorwaarde voor een optimale beetregistratie. De voorkant van de hengel wordt op een speciale quivertipsteun gelegd, met de top zo dicht mogelijk bij het water. De wind mag geen vat krijgen op de uitstaande lijn. De handgreep van de hengel wordt tevens afgesteund op een speciaal steuntje of op uw zitmand. Volgen de aanbeten elkaar in rap tempo op, is het wellicht slimmer de greep op uw bovenbeen te laten rusten. Zo kunt u de hengel comfortabel vasthouden en razendsnel reageren op een goede aanbeet door zijwaarts aan te slaan.

In zacht stromend water of stilstaand water vis je nagenoeg parallel met de oever, dit om een beet beter te registreren. Vis je op stromend water dan vis je met de hengeltop omhoog. Wanneer je met de hengeltop omhoog vist haal je meer tuig uit het water waardoor de stroom minder druk uitoefent op je tuig. Hierdoor kan je een beet beter zien, en je voerkorf blijft beter liggen.

De hengel wordt vaak afgesteund op een “feedersteun”. Steun de hengel zo af dat er een hoek ontstaat tussen de 90 en 120 graden. Zo is goed aanslaan mogelijk. Voor de voorste hengelsteun gebruik je een brede steun (een V steun) met een golvend profiel. Daarmee kun je de buiging van de hengeltop exact bepalen en aan het bijtgedrag van de vis aanpassen. Hoe minder lijn zich bevindt tussen wateroppervlak en hengeltop, de minder de kans dat de wind de beet registratie beïnvloed.

Inwerpen

Omdat het een vrij nieuwe visserij was en veel mensen wat sceptisch over deze hengel waren, duurde het vrij lang voordat deze grandioze vorm van “witvissen” voet aan wal kreeg. Het is eigenlijk een veredelde vorm van hoe men vroeger op de paling viste. Men werpt de paternoster in , draait de lijn strak en wacht op de registratie op de top. De kunst is nu om die onderlijn te maken die past bij de omstandigheden waarbij men vist. De feeder kun je ook fantastisch gebruiken bij de visserij op paling. Een geweldige ervaring om die hengel tekeer zien gaan bij de aanbeet van een grove paling. Het dunne topje zorgt ervoor dat de vis bijna geen weerstand voelt bij de aanbeet. Wat wel gezegd dient te worden is, dat je rekening moet houden met de rek in lijn. De afstand waarbij de haak gezet moet worden is aanzienlijk vergroot en dit kan de nodige problemen geven.

Een van de belangrijkste zaken bij het feedervissen is de keuze van de juiste feeder; beter gezegd de keuze van het juiste loodgewicht van de feeder. Het eigen gewicht van de te gebruiken voerkorf (dus zonder voer in de korf), wordt bepaald door de te werpen afstand. Hoe verder men van zich af vist des te zwaarder de korf moet zijn. Vist men te licht dan zal de te vissen afstand moeilijk te bereiken zijn.

Als je meer dan 80 gram nodig heb kan je het beste je korf een meter stroom opwaarts gooien, waardoor de korf na het uitrollen voor je blijft liggen. Zo kan je toch een voerplek aanleggen. Om een beter idee te krijgen wat hiermee bedoeld wordt, voor het vissen ga je eerst een paar keer proef gooien, met een korf die genoeg lood met zich meedraagt waardoor de korf blijft liggen. Nu moet je recht vooruit gooien en opletten waar je korf blijft liggen, is het bijvoorbeeld 3 meter rechts van je, dan houdt dat in dat je ook 3 meter stroom opwaarts moet gooien zodat de korf voor je blijft liggen.

Je kan natuurlijk ook een zwaarder korf gebruiken, maar dit houdt wel in dat je zwaarder vist, en dat je ook een gepaste hengel moet gebruiken die het lood kan wegzetten, Natuurlijk moet je ook je lijndikte aanpassen. Hoe zwaarder de korf, hoe dikker je tuig.

Peilen met de feeder

Korf inwerpen en tellen tot de korf de bodem raakt. Het tellen doe je vanaf 21, dus éénentwintig, tweeëntwintig, drieëntwintig enz…

Hou rekening met het gewicht van de korf, hoe zwaarder de korf hoe sneller de korf op de bodem is. Hierna de korf langzaam terughalen, door naar de top te kijken kan je de bodemstructuur vaststellen. bv. diepte en kuilen.

Zo ga je terug tot ongeveer 20 meter. Is het peilen gebeurd dan ga je terug naar de afstand die je wilt vissen, lijn achter de lijnclip vastzetten, een vastpunt aan de overkant van het water aanhouden erop richten en vissen maar.

Feedervoer

Als we met een feeder vissen is de vastheid van het voer erg belangrijk. In diep of stromend water mag het lokaas bijvoorbeeld kleveriger zijn en meer stevig in de korf zijn gedrukt als op ondiep of niet stromend water. Als de voerkorf zijn lading al tijdens de worp of halverwege de waterdiepte verliest hebben we er op de bodem nu eenmaal niets aan. Al te stevig is echter ook niet goed. Je ziet het bijvoorbeeld wel eens gebeuren, dat als men een vis vangt en deze boven het schepnet trekt, de voerkorf nog half vol met voer zit. Het zou de visser dan toch duidelijk moeten zijn, dat dit persé voorkomen moet worden.

Juist een gaaskorf moet zich binnen enkele minuten en zeker als er,zoals bijvoorbeeld bij het aanslaan gebeurt, fel aan de lijn getrokken wordt, op de visplek legen! Stelt u zich eens voor wat er gebeurt als het lokvoer in de korf blijft plakken.

Elke keer als we de korf binnenvissen volgt er dan in een rechte lijn naar de oever en spoor van lokvoerdeeltjes. Dit heeft hetzelfde effect als je met de vaste hengel een strook van 10 meter met voerballen voorziet. Zorg er dus altijd voor dat de korf zich zo snel mogelijk op de stek leegt.

Het opbouwen van een voerplek

Essentieel is dat de voerplek goed opgebouwd wordt. Korf na korf dient steeds op dezelfde plek terecht te komen. Alleen dan lukt het om de vis op de plek te houden. Om te beginnen is een juiste werptechniek van belang. Secuur werpen vraagt om een tweehandige aanpak en een zogenaamde “overhead”-worp. Aan de overzijde van het water zoekt u, in het verlengde van de te maken voerplek, een richtpunt uit. Dat kan een molen, een boom of bijvoorbeeld een inham in het riet zijn. Werp iedere keer naar dat ene, vaste punt. Elke keer de juiste afstand bepalen, is nog het makkelijkst. Hiervoor gebruikt u de lijnclip op de molenspoel. De lijn wordt na de eerste keer inwerpen simpelweg in de lijnclip geklemd. Elke worp wordt nu, keer op keer, op dezelfde afstand geblokkeerd.

Een voerplek maken we met de feederhengel en de voerkorf waarmee je gaat vissen. We doen dit door om de minuut een korfje met voer en aas op de gewenste afstand te brengen, laten deze ± 40 seconden liggen en geven een ruk aan de hengel. Nu komt het voer dat nog niet uit de korf was los. We halen rustig in en herhalen dit 15 maal. Nu gaan we vissen. Door telkens opnieuw in te gooien wordt de voerstek steeds voorzien van vers aas en voer

Als haakaas komen vooral maden, verpopte maden (casters) en kleine pieren in aanmerking. Combinaties van deze aassoorten doen  het vaak erg goed. Vergeet niet ook een handje van dit levende aas door het lokvoer te mengen. Het is vaak de sleutel tot succes.

Aanbeten

Een aanbeet kan zich op verschillende manieren voordoen, bijvoorbeeld zowel in de vorm van een plotseling fel naar het water buigende top, als ook in de vorm van een terugvalbeet. Dit wordt veroorzaakt als de vis het aas pakt en naar ons toe zwemmen en de voerkorf meenemen. En het meest voorkomend in de vorm van een aantal elkaar snel opvolgende schokkerige rukjes. U kunt dan rustig aanslaan en de vis landen.